Havenprocessen


cropped-dsf3123.jpg

De garanties

Duikboten

Eind jaren ‘80 leverde scheepswerf RDM Wilton Feijenoord (RDM en Wilton Feijenoord waren toen nog van de overheid na faillissement van RSV) twee onderzeeboten van het type Seadragon aan Taiwan. Daarop kreeg de Nederlandse Staat tijdens die duikbootaffaire de toorn van China over zich heen.  

Ruim tien jaar later (sinds overname door de Royal Begemann-Group in 1991 wordt RDM geleid door van den Nieuwenhuyzen) ligt er bij RDM een bestelling van de Verenigde Staten om op last van Taiwan acht diesel-aangedreven onderzeeërs te kunnen bouwen of leveren. De bestelling betrof een afgeleide van de Amerikaanse belofte aan Taiwan om een eventuele Chinese maritieme blokkade van het eiland te kunnen afwenden.

Van den Nieuwenhuyzen kon twee onderzeeërs die RDM van Defensie had overgenomen, en die nog in Maleisië aan de kade lagen voor Taiwan opknappen, òf hij kon misschien de ontwerpen van de nooit eerder gebouwde Zwaardvis-klasse ‘Moray’ (Moeraal) aan de Verenigde Staten leveren langs de eerder vergunde Seadragon-constructie. Doordat de Chinezen zich bedreigd voelden in dit vooruitzicht dreigden zij zelf met een economische boycot aan de Rotterdamse haven. Geen schip met Chinese koopwaar zou meer gelost worden te Rotterdam. Dat betekent doorgaans lege havens en duurdere spulletjes bij Ikea.

Eén China Beleid

Nederland weigerde licentie af te geven voor de Moray-ontwerpen vanwege haar één-China-beleid waarmee in die jaren ‘80 een crisis was afgewend (de overheid ontkent de Chinese boycot nog altijd in alle talen). Bovendien was er op grond van gebruikte subsidie-gelden ter ontwikkeling van de bestreden Moray-ontwerpen (ruim zestig miljoen gulden) toestemming vereist (mede eigendom van IE-rechten). Het standpunt van de overheid daarin werd aan RDM gecommuniceerd.

Ofschoon Economische Zaken in de beginjaren ‘90 nog sprak van ‘ernstige bezorgdheid’, gingen de onderhandelingen voort. Toen RDM tien Seadragons via een onderneming op de Antillen probeerde te verhandelen, sommeerde Nederland opheffing. Maar de boycot wordt  nog altijd ontkend.

Hoewel er nog wel eens denigrerend werd gedaan over de onderzeeërs van RDM, beantwoordden deze nog altijd aan een niche markt; diesel aangedreven onderzeeërs worden nog maar weinig geproduceerd.

Volgens minister Jorritsma van EZ bleef Joep van den Nieuwenhuyzen echter op zoek naar mazen in de wet om de Seadragons en Sealions te bouwen, en toen hij in mei 2002 bemiddeling vond bij militair attachees van de US Navy, en van Aertsen bovendien sprak van ‘de dreigbrief van China’, leidde dat tot het torentjesoverleg in juni van dat jaar.

In die tweede helft van 2002 was Heinsbroek nog kort minister EZ. Het was politiek een stormachtige periode. Geen klimaat om als militair maakindustrieel afspraken te maken met topambtenaren. Morgen kan een ander op het pluche zitten, en er heel anders over denken. Bovendien staat functieverloop gelijk aan gebrek aan dossierkennis en relatiegeschiedenis. Staatssecretaris van der Knaap (Defensie) heeft ruim vijf jaar zijn post bestierd, maar wist op het gebied van wapens en materieel volgens van der Nieuwenhuyzen “..van toeten noch blazen”. Wat volgens hem bij technisch defensie-materieel niet verwonderlijk is, als je geen woord Engels spreekt.

Certificaten

In die periode van juni/juli 2002 sprak Joep met Willem Scholten over de boycotkwestie. Willem was een man van de haven, en ging voorlopig ook niet weg. Politiek onafhankelijk, en niet te benauwd om beslissingen te nemen. Vanaf 17 december van dat jaar blijken de acties met betrekking tot Taiwan dan ook gestaakt door Joep. De persoonlijke en schriftelijke verklaring van Willem Scholten over de beslissing om RDM te compenseren met bankgaranties ter waarde van honderd miljoen, en deze overweging niet ten prooi te werpen aan het wisselvallige politieke debat, stelde hij op 5 december 2002 op (voor later). Dit gebeurde ten kantore van Spigthoff advocaten, waar het document (de ‘Brief aan mijn dochter’) in de kluis werd bewaard.

De betrokken geldverstrekkers die gedekt werden door deze garanties (Residex, Atradius, Barclays, maar ook Commerzbank) hebben certificaten in bezit waarin de grondslag (compensatie) nogmaals bewezen wordt. Het Openbaar Ministerie echter, evenals de betrokken ministers en staatssecretarissen, ontkennen heden ten dage elke dreiging van een Chinese boycot. Toch werd in die zomer van 2002 de landsadvocaat al ingeschakeld toen RDM in een oplossing voor de Taiwan-kwestie een serieuze gesprekspartner vond in de attachee van de US Navy.

De financieringen die gewaarborgd werden door de garanties bestonden uit verschillende bedragen en doeleinden. De meesten hadden een omvang van maximaal twintig tot vijfentwintig miljoen euro. Voor leningen van grotere omvang gelden andere bevoegdheden en criteria.

Om de garanties ter waarde van 100 miljoen euro die Scholten had verstrekt, bij de verschillende banken te waarborgen, werden legal opinions en certificates opgesteld door onder andere Jacob Cornegoor. Deze opinions en certificates zullen vanaf de tweede helft van 2004  worden gewraakt door de betrokken banken, en later door justitie worden aangegrepen om Cornegoor te vervolgen. Scholten zal vervolgd worden voor onbevoegdheid, en voor het verzwijgen van de garantie- verstrekking in de jaarstukken. Na onderzoek wordt ook omkoping vermoed.

Fennek

De ambitie van de RDM groep was om naast de fabricage van onderzeeërs en inmiddels ook gevechtshelikopter-onderdelen, ter land, ter zee en in de lucht de markt te bedienen. Door aankoop uit de boedel van DAF Special Products weet RDM de markt van gespecialiseerde legervoertuigen te betreden. Het Geldropse bedrijf SP (het voormalige Daf Special Products) werkte samen met de Duitse fabrikant KMW (Krauss Maffei Wegmann) in een joint venture onder de naam Arge. Arge had in 2001 van de Staat der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland opdracht gekregen voor de productie van 612 Fennek- pantservoertuigen (of verkenningsvoertuigen).    SP nam bepaalde productiegroepen in de bouw van het Fennek- voertuig voor haar rekening, en had als hoofdaannemer de bouw van het casco uitbesteed aan RDM Technology (RDM-T).

De rechtshandelingen

SP en RDM-T maakten deel uit van het RDM-concern, dat bestaat uit meerdere juridisch zelfstandige groepen. RDM-H (Holding) was vanaf de start van het Fennek-project in 2001 tot 28 oktober 2003 de grootmoeder van SP: zij was enig aandeelhoudster van RDM-TH (RDM Technology Holding), die op haar beurt enig aandeelhoudster van SP was. Op 28 oktober 2003 werd RDM-H als grootmoeder van SP vervangen door AIG A.V.V. te Aruba, die de aandelen in moederonderneming RDM-TH verkreeg. Op 5 november 2003 werden de door RDM-TH gehouden aandelen in SP overgenomen door Wilton Feijenoord Holding (WFH). RDM-TH was aandeelhouder van WFH en ruilde haar rol van moeder van SP dus in voor de rol van grootmoeder.

De Staat der Nederlanden betaalde aan Arge een voorschot ten behoeve van het Fennek-project, en op 23 februari 2002 betaalde Arge het voor SP bestemde deel van ruim 26 miljoen euro van dit voorschot aan SP. De Staat der Nederlanden verlangde zekerheid voor de terugbetaling van dat voorschot tot 1 januari 2005. Dat werd uiteindelijk geregeld via een garantiefaciliteit bij NCM (inmiddels Atradius). RDM-H beschikte als hoofdcontractant al over een garantiefaciliteit bij NCM ten behoeve van verschillende projecten van andere vennoot- schappen behorend tot het RDM-concern. RDM-H en diverse andere vennootschappen uit het RDM-concern waren hoofdelijk aansprakelijk voor alle verplichtingen uit die garantieovereenkomst jegens NCM, die de garantiefaciliteit verhoogde in verband met het Fennek-project. SP trad nu toe tot de groep hoofdelijk aansprakelijke vennootschappen.

Van het aan SP voor het Fennek-project uitgekeerde voorschot werden in maart 2002 bedragen van 11,4 miljoen en 2 miljoen euro bij NCM gedeponeerd ter voldoening aan de door NCM gestelde voorwaarden. Een bedrag van ruim 5,8 miljoen euro werd door SP geleend aan RDM-H. Het restant van het voorschot werd aan het Fennek-project besteed.

Per 21 februari 2003 gaf NCM het gedeponeerde bedrag van 11,4 miljoen euro weer vrij nadat vervangende zekerheid was verstrekt door Lamoenchi Beheer. Lamoenchi had eerste hypotheek ter waarde van 15 miljoen euro op het zogenaamde Digiplex gebouw (Data-Hotel) in Frankfurt verstrekt, waarvan zij kort tevoren (uit een boedel) de eigendom had verkregen. In februari 2003 was v.d. Nieuwenhuyzen directeur en enig aandeelhouder van Lamoenchi, die toen geen juridische banden had met het RDM-concern. Het vrijgekomen bedrag van 11,4 miljoen euro werd aan andere kwesties van het RDM-concern besteed. In de administratie van SP werd dat bedrag geboekt als lening door SP aan RDM-H. Tot zover de feiten.

Faillissement

Op 6 april 2004 werd aan casco-bouwer RDM-T surseance van betaling verleend, en op 23 april werd die surseance omgezet in faillissement. Dat was funest voor het Fennek-project. Op 29 april 2004 kocht SP daarom alle Fennek-zaken, (IE-)rechten en verplichtingen uit de boedel van RDM-T, te betalen ten curatoren binnen 60 dagen na onder- tekening van de overeenkomst. SP verplichtte zich daarbij om 66 personeelsleden van RDM-T met ingang van 10 mei 2004 een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Overeengekomen werd dat SP een andere vennootschap kon aanwijzen als contractpartij, maar dan zelf hoofdelijk aansprakelijk zou blijven.

Op 4 mei 2004 deelde de Duitse Commerzbank, die een externe kredietfaciliteit voor het Fennek-project ter beschikking had gesteld, schriftelijk aan SP mede dat trekkingen onder die kredietfaciliteit niet meer waren toegestaan. Op 19 mei volgde opzegging door huisbankier ABN Amro aan SP. Gevolg hiervan was dat SP niet in staat was haar verplichtingen jegens de curatoren in het faillissement van RDM-T na te komen.

SP had reeds op 5 oktober 2001 al haar rechten en verplichtingen met betrekking tot het Fennek-project aan RDM-H verkocht. De daartoe vereiste toestemming van de Staat der Nederlanden en KMW werd echter niet verleend. Op 27 februari 2003 sloten SP en RDM-H daarom een overeenkomst, waarin de gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst van 5 oktober 2001 werden geregeld. Bij deze overeenkomst werden alle vorderingen die SP en RDM-H op elkaar hadden verrekend, waaronder de vorderingen van SP uit hoofde van de leningen aan RDM-H van 5,8 miljoen en 11,4 miljoen euro. Na die verrekening resteerde een vordering van SP op RDM-H van 17 miljoen euro. Die vordering werd omgezet in een lening door SP aan RDM-H. Het geleende bedrag moest worden terugbetaald op 31 december 2004. Tot zekerheid van de terugbetaling van het geleende bedrag zou RDM-H ervoor zorg dragen dat ten gunste van SP een tweede hypotheekrecht zou worden gevestigd op het Digiplex gebouw van Lamoenchi. Die hypotheek werd op 12 juni 2003 gevestigd.

Bij brief van 7 juni 2004 deelde RDM-H aan SP mede dat zij de volgende dag haar schuld aan SP van 18 miljoen euro (het geleende bedrag van 17 miljoen euro vermeerderd met rente) zou voldoen. Dit bedrag werd op 8 juni 2004 door Lamoenchi naar de bankrekening van SP overgemaakt. De hypotheek ten gunste van SP op het Digiplex-gebouw werd hierna doorgehaald.

In juni 2004 was v.d. Nieuwenhuyzen statutair directeur van RDM-H, AIG en RDM-TH en was v.d.Voort directeur van WFH en SP. Op 9 juni 2004 werden twee overeenkomsten gesloten tussen SP en WFH. Omdat Van de Voort daarbij zowel SP als WFH vertegenwoordigde, werden die overeenkomsten in verband met mogelijke belangenverstrengeling mede ondertekend door v.d. Nieuwenhuyzen in zijn hoedanigheid van commissaris van WFH. 

De Veemvoorraad

De op 8 juni 2004 door RDM-H aan SP verkochte veemvoorraad bevat nieuwe en gebruikte voorraden onderdelen voor Leopard I en M-109 rupsvoertuigen. De Leopard I is een tank en de M-109 een houwitser. De onderdelen waren in de zestiger/zeventiger jaren aangeschaft door de Staat der Nederlanden voor het onderhoud van de in Nederland gebruikte voertuigen. Toen de Leopard I tank in Nederland vervangen werd door een andere tank, verkocht de Staat de veemvoorraad in 1998 of 1999 aan RDM-H, die naar eigen zeggen de enige gegadigde was. De Staat had de op dat moment resterende onderdelen zelf ooit aangeschaft voor 105 miljoen gulden (ruim 47 miljoen euro). RDM-H kocht de voorraad voor vier miljoen gulden (ruim 1,8 miljoen euro). Deze verkoopt RDM-H aan SP op 8 juni 2004 voor 6,8 miljoen euro. SP werd bij deze overeenkomst vertegenwoordigd door haar directeur v.d.Voort terwijl RDM-H werd vertegenwoordigd door haar directeur v.d. Nieuwenhuyzen.

Op 9 juni 2004 werden twee overeenkomsten gesloten tussen SP en WFH. Omdat Van de Voort daarbij zowel SP als WFH vertegenwoordigde, werden die overeenkomsten in verband met mogelijke belangenverstrengeling mede ondertekend door v.d. Nieuwenhuyzen in zijn hoedanigheid van commissaris van WFH. In de eerste overeenkomst werd geregeld dat WFH in de plaats van SP trad als contractspartij bij de op 29 april 2004 met de curatoren in het faillissement van RDM-T gesloten koopovereenkomst. Bij de tweede overeenkomst verkocht WFH de uit het faillissement van RDM-T afkomstige voorraden en het onderhanden werk (WIP) in verband met het Fennek-project aan SP voor een bedrag van 11,4 miljoen euro. Volgens RDM-H betrof dat de reële going-concern waarde. De IE-rechten in verband met het Fennek-project en alle overige uit het faillissement van RDM-T overgenomen activa en passiva werden niet aan SP overgedragen.

Op 9 juni 2004 betaalde SP 6,8 miljoen euro aan RDM-H en 11 miljoen euro aan WHF. Zij hield daarna van het op 8 juni 2004 door haar via Lamoenchi van RDM-H ontvangen bedrag van 18 miljoen euro nog 200.000 euro over.

Op 10 juni 2004 zond het International Court of Arbitration (ICC) aan SP een kopie van een op 7 juni 2004 gedateerd en op 9 juni 2004 bij het ICC binnengekomen verzoekschrift van KMW, waarin verzocht werd SP uit te sluiten van de joint venture Arge. Op 16 juli 2004 zegde de Staat der Nederlanden het Fennek-contract op. Dat betekende het einde voor SP, die op 11 augustus 2004 failliet werd verklaard. De Staat vorderde het aan SP betaalde voorschot terug. Omdat Atradius zich voor de terugbetaling garant had gesteld, betaalde zij op 30 augustus 2004 een bedrag van 32 miljoen euro aan de Staat. Atradius diende die vordering ter verificatie bij de curator in en sommeerde ook RDM-H en de niet failliet verklaarde hoofdelijk aansprakelijke vennootschappen tot betaling.

Na een volgens v.d. Nieuwenhuyzen ‘smerig spel’ van Stork en de Nederlandse Staat, volgt het faillissement van SP op 11 augustus 2004. De Staat had bovenop de terugvordering een vertragingsschadeclaim van 90 miljoen euro ingediend en na een accountantsonderzoek naar de solvabiliteit van het bedrijf het contract verbroken. Volgens Van den Nieuwenhuyzen veroorzaakte juist KMW de vertragingen door in februari pas de tekeningen vrij te geven.

Na het faillissement van SP heeft de curator nog getracht een koper voor de veemvoorraad te vinden, maar dat was (tijdens afwikkeling van dat faillissement nog-) niet gelukt. Voorafgaand aan die verkoop was de veemvoorraad getaxeerd door een Duits taxatiebureau voor een onderhandse verkoopwaarde van 6,9 miljoen euro. Op 27 augustus echter werd de veemvoorraad op verzoek van de curator getaxeerd door Troostwijk Waardering en Advies B.V op slechts 450.000 euro. Begrippen en uitgangspunten lopen hier ernstig door elkaar.

De voorraad was opgeslagen in een door RDM-TDS gehuurde bedrijfsruimte. Door het conservatoir derdenbeslag onder RDM-TDS heeft de curator verhinderd dat RDM-H (die na vernietiging van de koopovereenkomst weer eigenaar zou zijn van de veemvoorraad) deze verkoopt. Later zullen Stork en KMW het hele project overnemen middels het Dutch Defense Vehicle Systems (DDVS).

Betaald

De faillissementsprocedures leidden ertoe dat een kwart van de 11 miljoen euro en een kwart van de 6,8 miljoen-vordering betaald moest worden door Joep van den Nieuwenhuyzen. Deze 4,5 miljoen euro betaalde hij dan ook langs MDR Limited aan de curatoren. Uit een eerdere schikking heeft van den Nieuwenhuyzen 3,5 miljoen euro betaald aan de boedel.

Oud zeer

U zult als lezer begrijpen dat het hier niet alleen om smeergeld en compensatie van een paar ‘duikboten’ gaat. Het gaat over gedupeerde zakenbanken. Over talloze zekerheidstellingen, cessies en taxatieverschillen. Over twee (andere) directieleden van werkmaatschappijen die de bestemming van een miljoenentransactie onbevoegd hebben veranderd. Over internationale verdragen. Over illusoire vertragingsschadeclaims van de overheid en om onhoudbare tijdsdruk, opgelegd door topambtenaren en de landsadvocaat, zoals kruisposten van miljoenentransacties waar nog geen dag tussen mocht zitten.  Het gaat over oud zeer.

De vervolging richt zich onder andere op omkoping, meineed, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk in samenloop met faillissementsfraude, maar ook misbruik van bevoegdheid, en zelfs bezit van een verdacht (Comorees) diplomatiek reisdocument waarbij vervalsing van de verlengdatum wordt vermoed. Laatstgenoemde aanklacht ontbeert proportionaliteit, en wordt daarom niet vermeld in deze bundel.

Na jaren van civiele procedures door curatoren en gedupeerde banken in de RDM-faillissementen; na talloze verhoren van alle betrokkenen door FIOD, en na vervolging van Jacob Cornegoor, nadert eindelijk de openbare behandeling van het haven-schandaal…

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s